Zevenentwintigste zondag door het jaar B – In Princiep

Schriftlezingen: Marcus 10,2-16 en Genesis 2, 18-24

‘Ze zijn dus niet meer twee, maar één. Dus: wat God heeft verbonden, moet de mens niet scheiden.’ (Marcus 10,8b-9)

Het evangelie gaat over echtscheiding, een onderwerp dat vandaag meer dan actueel is. De kans dat een huwelijk strandt is nu in Nederland ongeveer één op drie. Om de afwikkeling van het grote aantal echtscheidingen te vergemakkelijken is nu voor een paar honderd euro ook de digitale snelweg beschikbaar. Maar snelweg of niet, een scheiding is vaak dramatisch voor alle betrokkenen. Hoe hoger de verwachtingen en hoe intenser mensen in hun huwelijk geïnvesteerd hebben, des te scherper de pijn als het stuk loopt.

Over echtscheiding wordt verschillend gedacht. Dat was ook in de tijd van Jezus al zo. De wet van Mozes stond echtscheiding toe. De vraag was niet zozeer of het mocht, maar wanneer. Zo zei rabbi Sjammai dat een man alleen bij overspel mocht scheiden, terwijl rabbi Hillel leerde dat een man al mocht scheiden, wanneer zijn vrouw niet goed kon koken. Maar Jezus doet een principiële uitspraak: God heeft in den beginne, ‘in princiep’, man en vrouw geschapen om één te zijn en wat God verbonden heeft, mag een mens niet scheiden.

Er is nog een ander opvallend verschil tussen de leer van Jezus en die van de rabbijnen. Bij de rabbijnen is echtscheiding een pure mannendiscussie. Ze hebben alleen oog voor de rechten van de man, die geschonden worden, wanneer een andere man in zijn huwelijk inbreekt. Maar Jezus geeft helder te verstaan dat een man die vreemd gaat, allereerst echtbreuk pleegt jegens zijn eigen vrouw. De waardigheid van de vrouw is voor Jezus even heilig als die van de man. Dat is in de cultuur van zijn tijd een nieuw geluid.

In zijn discussie met de farizeeën heeft Jezus het tegen theologen die theoretisch over echtscheiding debatteren. Wat zou Hij zeggen tegen gescheiden mensen zelf? Hij zou hen, denk ik, herinneren aan het ideaal van het huwelijk, zoals God het in het begin, ‘in princiep’, bedoeld heeft. Maar Jezus weet ook hoezeer onervarenheid en pech mensen parten kunnen spelen. Schuld praat Hij die niet weg, maar gebruikt Hij evenmin als steen om mensen naar het hoofd te gooien: ‘Wie van u zonder zonde is, werpe de eerste steen. Ook Ik veroordeel u niet.’

Jan Hulshof