Vrede bewaren in het klooster

Vele eeuwen geleden wisten de opstellers van de regels het al: de vrede bewaren gaat niet vanzelf, ook niet in een klooster. Wat voor adviezen gaven Augustinus, Benedictus, Franciscus en Dominicus? En wat maken hun navolgers er nu van?

‘Maak geen ruzie, maar als u ruzie hebt, maak er dan zo spoedig mogelijk een eind aan. Anders groeit een klein moment van woede uit tot haat, wordt een splinter een balk en maakt u van uw hart een moordkuil.’ Deze opmerkelijk frisse zinnen zijn al zo’n zestienhonderd jaar geleden opgeschreven door de kerkvader Augustinus, in de vijfde eeuw. Behalve zijn regel kregen in de westerse kloosters vooral de regels van Benedictus uit de zesde eeuw en die van Franciscus uit de dertiende eeuw invloed.

‘De schrijvers van de kloosterregels wisten heel goed dat mensen feilbaar zijn en gemeenschappen kwetsbaar’, zegt kerkhistoricus Peter Nissen, hoogleraar aan de Radboud Universiteit. ‘Zo’n advies van Augustinus om conflicten snel uit te praten is wijs. Hij schrijft ook in zijn regel dat wie nooit vergiffenis wil vragen of nooit van harte een ander vergeeft, niet in een klooster thuishoort.’ Samenleven kan knap ingewikkeld zijn, zelfs – of misschien juist – als je allerlei idealen hoog te houden hebt. Het boeiende aan de kloosterregels is dat ze niet van tevoren bedacht zijn, maar geschreven en bijgesteld op grond van levenservaringen in concrete gemeenschappen. Ze zijn dan ook soms opmerkelijk praktisch. ‘In de regel van Benedictus staat bijvoorbeeld dat de abt ervoor moet zorgen dat hij meer geliefd is dan gevreesd’, zegt Nissen. ‘En dat hij oog moet hebben voor het tempo van de mindere, zwakkere broeders. Dat getuigt van het inzicht dat je mensen eerder met liefde in beweging krijgt dan met discipline. En Augustinus schrijft al dat ieder moet krijgen wat hij nodig heeft, en dat is niet voor iedereen hetzelfde.’

Minister zijn

Benedictus en Franciscus zagen kloosters als leerscholen. Je ging er wonen om te groeien in wederzijdse dienstbaarheid. Nissen: ‘Jezus zei immers dat wie een leider wil zijn, moet willen dienen. Leven in een klooster is dus dienaar willen worden naar zijn voorbeeld.’ Een mooi idee, maar in de praktijk werden abten vaak toch langdurige heersers van almaar machtiger wordende abdijen. Bij elke vernieuwing van het kloosterleven in de loop van de geschiedenis wilde men teruggaan naar de oorspronkelijk bedoeling ervan: in eenvoud samenleven, God zoeken en mensen dienen, en daarin gelukkig zijn. Klassiek gezegd: delen in de vrede van Christus. Nissen: ‘Daarom noemde Franciscus een overste geen prior of abt, maar een minister, wat letterlijk dienaar betekent – al denk ik dat veel van onze ministers dat niet weten. En daarom omschreef Dominicus minutieus hoe de broeders hun leiders moesten kiezen en hoe lang die in functie moesten blijven.’ Geduld is van belang in alle kloosterregels, als het gaat over het bewaren van de vrede. ‘Als je een probleem hebt met een broeder of zuster, vermaan hem of haar dan drie keer’, zegt Nissen. ‘Oftewel: geef elkaar de kans om er nog eens over na te denken, om in inzicht te rijpen. Geef elkaar niet na één aanvaring op.’

Leiden deze en andere mooie en wijze regels in de praktijk van het kloosterleven ook daadwerkelijk tot vredige samenlevingen? Gert Stegeman is als begeleider van ITIP, ‘School voor leven en werk’, betrokken bij verschillende kloosters. Hij begeleidt kloosterlingen in het onderlinge gesprek of bij het maken van complexe keuzes. ‘Het eerste wat ik vaak hoor is: “We hebben niet voor elkaar gekozen”,’ zegt Stegeman. ‘Kloosterlingen leven niet onder één dak omdat ze elkaar per se leuk vinden. Ze kiezen in de eerste plaats voor een roeping, een taak, voor hun lijn met God. Toch leven ze intensief met elkaar samen en daarin kunnen, net als in een gezin of werkrelatie, spanningen ontstaan. Het vraagt aandacht en moed om daar onderling op een goede manier mee om te gaan.’

Uitspreken

In een cultuur van stilte en zwijgen kan het een drempel zijn om het onderlinge gesprek hierover te openen. Daarnaast gaat het bij kloosterlingen meteen om hun hele leven, dat maakt ze vaak voorzichtiger. Stegeman: ‘In een gewone organisatie kun je na een conflict naar huis, of desnoods zoek je een andere baan. In een kloostergemeenschap ben je met je hele hebben en houden aan elkaar verbonden.’ Daar komt bij dat niet altijd geleerd is om gevoelens te uiten. ‘Jongere religieuzen doen dat vaak makkelijker. Die vinden het ook minder erg als er even een spanning of conflict ontstaat en kunnen daarna weer verder gaan. Anderen schrikken daar soms van. Maar het uitspreken van je gevoelens kan lucht geven, het kan reinigend werken als er onderhuidse spanning is opgebouwd. Het klopt wat Augustinus schreef: anders wordt het gif voor de ziel.’

‘Waar kloosterlingen de moed hebben om ook hun onvrede en spanning aan te gaan, komt er vaak een diepe wijsheid aan de oppervlakte’, zegt Stegeman. ‘Dan kan er echte vrede ontstaan, wat iets anders is dan afwezigheid van conflict. En dat draagt ook bij aan het ontstaan van leven en vernieuwing. In geloofstaal gaat dat over de bron van levend water.’

Feest

Gert Stegeman werkt graag in kloosters. ‘Het zijn vaker plekken van vrede dan gewone organisaties’, zegt hij. ‘Dat komt ook omdat die levenshouding elke dag beoefenend wordt, bijvoorbeeld in het gebed. Zelfs als het in een gemeenschap wat gespannen is, voel ik me altijd heel welkom als gast. Ik word geraakt door hun onbevangenheid en hoe ze zich aan mij en elkaar toevertrouwen. Dat maakt werken met kloosterlingen voor mij tot een feest.’

Ook kerkhistoricus Peter Nissen komt graag in kloosters, vooral om er in de stilte en het kloosterritme te kunnen lezen en schrijven. ‘De vrede bewaren luistert nauwer in een contemplatief klooster, waar broeders of zusters altijd leven en soms wel zeven keer per dag samen bidden’, vindt hij. ‘Kleinere ergernissen kunnen daar ingewikkelder zijn dan in kloosters waarvan de bewoners buitenshuis werken. Maar ik heb wel het idee dat ze allemaal geschoold en getraind zijn in de geduldige omgang met elkaar.’

Tekst: Arjan Broers
Foto: Peter Beemsterboer