2e zondag door het jaar A – Kerk zijn: lokaal en universeel

Schriftlezingen: Jesaja 49,3+5-6; 1 Korintiërs 1,1-3 en Johannes 1,29-34

Vandaag kleurt de liturgie weer groen: we zijn beland in de tijd door het jaar. Groen geldt als de kleur van de hoop, en als zodanig mag het ons vandaag ook verwijzen naar de zorg voor ‘de heelheid van de schepping’. Want de aarde is ons in bruikleen gegeven, zij is niet ons eigendom. Dit zou bijna verzelfsprekend moeten zijn, want het zit in onze genen: wij zijn immers ‘aarde-mensen’ (adam) die genomen zijn uit de aarde (adamah) (Genesis 2,7). Wereldwijd mag de inzet van christenen voor een milieubewuste omgang met de aarde als een teken van hoop gelden. Maar die inzet mag gerust in een hogere versnelling gaan, of men moest blind zijn voor de tekenen van de tijd!

Groen is de kleur van het alledaagse. Dat alledaagse wordt echter gekruid met voedende ingrediënten: het Woord van God. Iedere zondag komen christenen samen om onder dat Woord te gaan staan. Dat Woord komt van elders, het is – net zoals de aarde – niet van ons. Daarom kunnen we de lezingen ook niet vervangen door andere teksten, hoe mooi of diepzinnig die ook mogen zijn. Het Woord roept ons, schudt ons wakker, voedt ons. En het Woord zendt ons. Het Woord maakt ons tot kerk, dat wil zeggen tot een gemeenschap van geroepenen.

Tot zo’n gemeenschap schrijft Paulus een brief. Laten we vandaag de tweede lezing eens als uitgangspunt nemen. De lezingen is niet meer dan de aanhef van de brief: we horen tot wie Paulus zijn schrijven richt en we vernemen de woorden waarmee hij hen groet. Niets bijzonders. Of toch wel? Wie goed leest, ziet dat die gemeenschap op twee manieren wordt aangesproken. Het gaat om een lokale kerkgemeenschap in de havenstad Korinte. Dat is een grote stad met een geweldige bedrijvigheid. De Jezusvolgelingen vormen daar maar een hele kleine minderheid. Maar dat heeft voor Paulus op zich geen belang. Wat wel belang heeft is dat ze er zijn, en dat ze samen vorm mogen geven aan de presentie van de ‘kerk Gods’ in Korinte. Paulus noemt hen geen ‘christenen’, die term was toen nog niet in omloop. Hij noemt hen ‘geheiligden in Christus Jezus, kortweg vaak ook ‘heiligen’. Zoals Paulus geroepen is om apostel te zijn, zo is deze gemeenschap geroepen om een ‘heilig leven te leiden’ midden in de pluriforme stad die Korinte toen was. Maar het is niet voldoende om alleen maar lokaal een gemeenschap van heiligen te zijn. Paulus herinnert hen eraan dat ze dit mogen zijn ‘samen met allen die allerwegen de naam aanroepen van Jezus Christus’. De lokale gemeenschap is dus geworteld in de brede, universele kerkgemeenschap. Dat geeft haar juist vleugels! En het is onder andere Paulus die het netwerk van lokale gemeenschappen in een groter, solidair verband plaatst. Maar let wel: eerst wordt de lokale kerk genoemd, en pas daarna de universele.

Diezelfde volgorde vinden we terug in de eerste lezing. Zowel de eerste lezing als het evangelie borduren voort op de vorige zondag, toe we de doop van de Heer vierden. Ook nu gaat het over de dienaar uit Deuteron-Jesaja (Jesaja 40-55), en deze dienaar is een profeet. De vorige zondag hoorden we hoe God zijn dienaar bij het volk inleidde. Vandaag vernemen we dat de zending van de dienaar in een breder perspectief wordt geplaatst: de eerste opdracht van de dienaar is om Jakob – het volk Israël – terug te brengen naar de bron. En de bron van alle leven is God zelf. Maar Jakob heeft andere ideeën over die ‘ommekeer’ dan de dienaar. en dat zal leiden tot een botsing, onvermijdelijk. God zal zijn dienaar echter blijven ondersteunen en sterken. En er is een belofte: de inspanningen van de dienaar zullen niet alleen het volk Israël ten goede komen – de lokale kerk – maar ook de andere volken. Israël zal een licht worden voor de heidenen, dankzij en door de dienaar. De zending van de dienaar is zowel lokaal als universeel.

In de evangelielezing wort ook Jezus getypeerd met de trekken van deze dienaar.Hij wordt door Johannes de Doper aangewezen als ‘het lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt’ – een onmiskenbare verwijzing naar de dienaar van wie in Jesaja 53 wordt gezegd dat hij als een lam naar de slachtbank werd gevoerd en dat hij de zonden van ‘de velen’ droeg. In Jesaja 53 vernemen we dat de bovengenoemde botsing een fatale afloop heeft gehad: de dienaar heeft zijn opdracht vervuld met zijn dood. Maar zo ver kijkt Johannes nog niet vooruit. Hij zegt alleen: als ik Jezus zie, dan zie ik ook de dienaar uit het boek Jesaja. Hij openbaart Jezus als het lam Gods. Daarin komt de heilige Geest hem te hulp, want wanneer de Geest op Jezus blijft rusten, is dat voor Johannes het signaal dat zijn aanwijzing terecht is. Maar kijk, deze dienaar is niet alleen lam van God, hij is ook de Zoon van God. De horizon wordt opnieuw verbreed.

Jean Bastiaens, Het woord is mens geworden, Commentaren bij de zondagslezingen jaar A,B en C, Halewijn, 2015

Vier keer per jaar een nieuwe, rijk gevulde Klooster! om even mee op adem te komen.
Nu voor maar € 45!