Trappist Guerric Aerden is kluizenaar

Lieve Wouters, van Kerknet.be had een interview met de trappist.

Hoe ziet uw kluis en de omgeving eruit?

Guerric Aerden: Mijn kluis bestaat uit twee verdiepingen en is opgetrokken in natuursteen. Oorspronkelijk woonde hier de aalmoezenier van het bijbehorende vrouwenklooster. Na het vertrek van de laatste aalmoezenier, die de eenzaamheid niet aankon, bleven de zusters 10 jaar lang zonder vaste priester. Toen mijn verlangen naar kluizenaarschap hen ter ore kwam, boden de monialen me maar wat graag deze woning aan.

De kluis staat binnen de ommuring van hun kloosterdomein, maar toch een eindje van het klooster vandaan. Zo ben ik dus afgeschermd van de buitenwereld, en bewaar ik tegelijk afstand tot de zusters. Mijn kluis telt vier kamers: een studeerkamer, een gebeds- en slaapkamer, een keuken en een badkamer. Alles is bemeten voor één persoon. Een terras en een balkon op de verdieping geven uit op de weidse natuur en het voorgebergte van de Alpen dat ik in de verte ontwaar. Rond het klooster ligt een bergrug van 7 km met vele uitlopers, flink bebost en rotsachtig. Het is als een grote tuin waar ik dagelijks in wandel, soms op steile bergpaadjes vol verrassingen. Everzwijnen zitten er overvloedig, maar ook vele andere dieren. Het is er wild.

Hoe brengt u uw dagen door?

Als kluizenaar leef ik op 1.000 km afstand van mijn medebroeders, familie en vrienden. Die afstand garandeert eenzaamheid. En die eenzaamheid, tegelijk met de natuur en de adembenemende stilte om me heen, voert me automatisch naar gebed en zelfconfrontatie. Het is niet altijd gemakkelijk, hoewel ik bijna elke dag ook intens geniet van alles wat me om niet gegeven wordt. Mijn leven als eremiet wordt niet bepaald door een regel zoals in een abdij. Elke kluizenaar bepaalt zijn eigen regel, als hij maar trouw blijft aan de regel van het altijddurende gebed. Bid zonder ophouden, zeggen Jezus en de heilige Paulus. Deze gebedsregel krijgt bij mij concreet vorm in het dagelijks doorlopend bidden van de psalmen, in het Jezusgebed, in de Eucharistie, in het luisteren naar de stilte, naar mijn binnenkant, naar alles en iedereen rondom mij. Maar ook in een sobere levenswijze, met dagelijks een gelijkwaardige portie intellectueel werk en lichamelijk bezig zijn. Ik kan in de stilte van mijn kluis wel langer en geconcentreerder werken aan vertalingen, artikels, en dergelijke, dan in een abdij mogelijk is, waar de klok je om de haverklap naar een nieuwe bezigheid roept.

Na mijn boek Bernardus van Clairvaux. Meester in de school van de liefde (dat ik met een Amerikaanse vriend volgend jaar in het Engels wil vertalen), werk ik nu aan een boek met teksten van en over Aelred van Rievaulx (1110-1176): zijn 12de-eeuwse biografie, zijn leefregel voor zijn zus-recluse en een ‘merkwaardig mirakel’ over een meisje dat zwanger wordt in haar klooster. Zeer boeiend! Volgend voorjaar verschijnt dat werk, deo volente, bij Damon.

Voelde u zich al vroeg tot zo’n intens gebedsleven geroepen?

Ik was 23 toen ik monnik werd. Mijn dorst naar God was absoluut en kon alleen gestild worden door een leven van absolute toewijding, soberheid, stilte en gebed. Maar dat ook de menselijke en psychologische ontwikkeling aandacht vroegen, daar kwam ik pas later achter.

Mijn abt en geestelijke vader was een leerling van dom André Louf. Hij betrok de menswetenschappen in zijn omgang met en vorming van de jonge monniken. Zo kwam dom Louf in mijn leven, terwijl ik hem al wel enigszins kende van zijn beroemde boek Heer, leer ons bidden. Iets gewaar worden van God (Lannoo, 1971). Dat boek had trouwens de weg gebaand naar mijn intrede bij de trappisten. In dat nog steeds actuele boekje werd ik ook getroffen door de affectieve spiritualiteit van Cîteaux. Bernardus en zijn geestverwanten schuwden de gevoelens niet, integendeel, ze exploreerden ze als belangrijke sporen van God in hun leven. Sindsdien ben ik Bernardus gaan lezen en ben daar eigenlijk nooit meer mee opgehouden. Hij is mijn favoriete auteur, mijn spirituele vader om zo te zeggen.

Als jonge monnik bezocht u dom André Louf destijds ook als kluizenaar in de Provence. Wie was hij voor u?

Hij was eerst mijn leraar en identificatiemodel toen ik nog een jonge monnik was. Ik voelde veel eerbied voor hem. Hij bracht voor mij iets van God met zich mee als ik hem sporadisch ontmoette. Maar later heb ik hem meer als mens mogen ontmoeten, als een vriend die zich niet schaamde zijn eigen nood aan vriendschap te tonen. Daardoor groeide ook mijn Godsbegrip in menselijkheid.
De Menswording, zo belangrijk in het christendom en in de spiritualiteit van Cîteaux, is door mijn band met abt André Louf meer werkelijkheid geworden.<

Veel mensen kennen André Louf van zijn boeken. Maar hoe was hij in de omgang en als mens?

Hij was een groot man, letterlijk en figuurlijk. In 2018 is zijn biografie verschenen, De weg van het hart. Geestelijk testament van André Louf, geschreven door een ex-monnik Charles Wright en in het Nederlands vertaald door Lieven Vanderbrugghen. Het overwicht van dom Louf op vele vlakken, intellectueel, verbaal, psychologisch en vooral spiritueel maakte het voor sommigen moeilijk met hem om te gaan. Wellicht kwam hij voor hen ietwat bedreigend over. Maar achter die grootheid ging een heel liefhebbend hart schuil, veel humor en een oneindig mededogen en empathie. Iedereen reageerde als Louf ergens een ruimte binnenkwam: je nam onmiddellijk een positie in tegenover hem. Ofwel opende je je hart voor hem, ofwel sloot je je af. Louf was als een magneet die elk element in zijn juiste richting zette, die de innerlijkheid van eenieder openbaarde. Hij was een vader die het zoonschap spontaan opwekte in ieder mens – man of vrouw – die hij ontmoette.

Welke sporen hebben 40 jaar Westmalle in uw leven getrokken?

Veertig jaar monniksleven zijn voorbij gevlogen als een ademtocht. Maar ik was geen 40 jaar in Westmalle. Mijn levensloop heeft gemeanderd in de monastieke wereld. De laatste tien jaar was ik monnik te Westmalle, waar ik onder andere ook novicemeester was. Als ik caleidoscopisch terugblik over die veertig jaren, komt een groot gevoel van dankbaarheid opwellen.

Ik ben God zo dankbaar dat Hij mij altijd bij de pols gegrepen heeft toen het dreigde mis te lopen. Dat Hij mij altijd het gevoel gegeven heeft dat Hij op de eerste plaats diende te komen, dat Hij God is en al de rest relatief. Het gebed en de lectio divina verschaften mij al die jaren een kompas. Ook de studie van de cisterciënzer schrijvers heeft mij voor menige val behoed. Ook ben ik dankbaar voor de vele geniale monialen en monniken die ik op mijn monastiek pad heb mogen ontmoeten. Uitzonderlijke mensen die groot waren in nederigheid, in liefde en trouw.

Toen u uw ‘bucketlist’ voor Kerknet schreef, had u het over de grote wereldproblemen. Bent u daar als kluizenaar nog mee bezig?

Via internet blijf ik op de hoogte van het wereldnieuws. Ik heb geen tv of radio maar ben toch redelijk goed geïnformeerd over wat er in de wereld gaande is. Ik ben nooit een fanatieke nieuwslezer geweest, maar de grote items van het wereldnieuws houden mij wel bezig: de klimaatverandering, de migratie, de verrechtsing, de pandemie. Via de mail heb ik ook allerlei contacten met mensen die mij hun lijden toevertrouwen.  Samen met de zusters, en ook alleen, bid ik voor vele noden en mensen in nood. Maar ik mag vaak ook delen in hun vreugde en hoop. Als kluizenaar blijf ik lidmaat van de Kerk. Mijn leven, bidden en werken levert hopelijk een gezonde bijdrage aan de hartenklop van deze Kerk. Monniken, schreef Bernardus, zijn het ingewand van de Kerk. Zij verteren alles. Zo voel ik het ook: de kluizenaar is het digestieve orgaan van onze kerkgemeenschap.

Ik hoef geen oordelen te vellen. Alles wat gebeurt ligt in Gods hand. Hij is groter dan onze geschiedenis, groter dan onze biografie, groter dan ons hart.

Afbeelding: Guerric Aerden

Vier keer per jaar een nieuwe, rijk gevulde Klooster! om even mee op adem te komen.
Nu voor maar € 35!