Opdracht van de Heer (Maria Lichtmis) jaar A

Schriftlezingen: Maleachi 3,1-4; Hebreeën 2,14-18 en Lucas 2,22-40

De Gezalfde in de armen sluiten

Op 2 februari – veertig dagen na Kerstmis – viert de Kerk altijd het feest van ‘de opdracht van de Heer, ook wel Maria Lichtmis genoemd vanwege de lichtprocessie die soms gehouden wordt als nabootsing van een opgaan naar de heilige tempel in Jeruzalem. Die tempel is niet zomaar een gebouw, maar de plaats waarmee GOD zijn Naam verbonden heeft: IK-ZAL-ER-ZIJN. Wie de tempel met eerbied betreedt, die heiligt de Naam van GOD. Vandaag maken we in de liturgie mee hoe Jezus de tempel binnengebracht wordt en toegewijd wordt aan de dienst van GOD. Jezus zal de Naam van GOD in zijn eigen persoon heiligen en verwezenlijken: want Jezus zal er zijn, als iemand die meetrekt met zijn volk, die altijd onderweg is en die bron van heil en zegen zal zijn voor wie Hem ontmoeten en in de armen sluiten. Hij zal er zijn voor al wie denkt er niet meer te mogen zijn.

De evangelielezing is helder opgebouwd en bestaat uit vier delen: de opgang van Maria, Jozef en Jezus naar de tempel overeenkomstig de voorschriften uit de Tera (A); de ontmoeting met Simeon (B); de ontmoeting met Hanna (B’); en de terugkeer naar Nazaret (A’). Het is dus een vierluik, waarvan de twee binnenste panelen een bijzondere en warme intimiteit uitstralen.

In het eerste deel (A) worden drie onderscheiden handelingen in één beweging samengebracht: het vrijkopen van de eerstgeborene, overeenkomstig het voorschrift in Exodus 13,1.15; het toewijden van Jezus aan de dienst van GOD, zoals ooit Samuël door zijn moeder Hanna aan de tempel werd afgestaan (1 Samuël 1,11.28); het reinigingsoffer van Maria, veertig dagen na de geboorte, zoals voorgeschreven door de Tora (Leviticus 12). Bij het vrijkopen van Jezus als eerstgeborene hoefde het kind zelf niet aanwezig te zijn; maar Jezus is er toch, want Hij wordt niet alleen vrijgekocht, maar ook toegewijd aan GOD. Vele jaren later, wanneer Jezus twaalf jaar is en opnieuw met zijn ouders naar Jeruzalem optrekt, zullen zijn ouders verbaasd zijn dat Hij daar achter blijft in de tempel. Wisten ze dan niet dat Hij ‘in het huis van zijn Vader’ moest zijn? Was Hij daartoe niet afgestaan, vanaf het begin? Doorgrondden zijn ouders dan niet het verhaal van Hanna en Samuël?

In het tweede deel (B) bevinden we ons in de tempel zelf. Daar ontmoeten we Simeon, een ‘wetsgetrouw man’, een rechtvaardige ‘die Israëls vertroosting verwachtte’. Simeon is reeds oud van dagen, maar de heilige Geest had hem ingegeven dat hij niet zou sterven alvorens hij ‘de gezalfde van de HEER’ – de messias dus – met eigen ogen aanschouwd zou hebben. We zijn getuige van een ontroerende scène: Simeon, door de Geest verlicht, komt op Maria af en neemt het kind in zijn armen. Hij omarmt de gezalfde van Israël en spreekt ondertussen een gebed uit: ‘Laat nu, HEER, uw dienaar heengaan in vrede, naar uw woord!’ Zijn verlangen en heel zijn hoop zijn vervuld nu hij dit kind in zijn armen draagt. Nu kan hij rustig sterven. Want dit kind zal, overeenkomstig de beloften uit Jesaja (42,6; 49,6), een bron van licht zijn voor de volken, en het zal Gods heerlijkheid aan Israël openbaren. Simeon heeft er, blijkens deze woorden, weet van dat dit kind de zending van ‘de lijdende Dienaar’ uit het boek Jesaja zal verwezenlijken. Daarom ook is het vervolg van wat hij zegt niet vreemd: na Maria en Jozef onder de zegen te hebben gesteld, vertrouwt hij Maria een profetisch visioen toe. En dat visioen luidt: dit kind zal, als gezalfde van Israël, een tweespalt zijn en de gezindheid van velen aan het licht brengen. Sommigen zullen over Hem struikelen als over een steen (Jesaja 8,14), anderen zullen erkennen dat juist Hij ‘de kostbare hoeksteen’ is geworden (Jesaja 28,16).

Simeon richt zich apart tot Maria. Hij heeft het boek Jesaja langdurig gelezen, bestudeerd en bemediteerd, en weet wat er de gezalfde van Israël te wachten staat. Ongekende vreugde en diep verdriet zullen deel uitmaken van het leven van Maria. En zoals de gezalfde de steen zal zijn die in een gebaar van verachting zal worden weggegooid (Psalm 118,22), zo zal haar eigen ziel ‘door een zwaard worden doorboord’. Zij zal haar zoon het kruis niet kunnen besparen.

In het derde deel (B’) ontmoeten we Hanna, en zij is niet de minste, want ze is een profetes! De beschrijving die Lucas van haar geeft, roept helemaal het beeld vanJudit op (vgl. Judit 8,6 en 11,17). Ook zij kijkt, zoals Simeon, uit naar de bevrijding van Jeruzalem. De woorden van Hanna – de naamgenoot van de moeder van Samuël! – bieden aan Jozef en Maria rijke troost en diepe vreugde. Maria is nog jong, maar deze oude vrouw geeft haar kracht.

In het laatste deel (A’.) keren we terug naar het begin: de voorschriften uit de Tora zijn vervuld, het gezin kan terugkeren. De wijsheid van het ouderlijk huis vervult het kind. Alles is genade.

Overgenomen uit: Jean Bastiaens, Het Woord is mens geworden, Commentaren bij de zondagslezingen jaar A,B en C, Halewijn, 2015

Schilderij: Arent de Gelder, 17e eeuw

Vier keer per jaar een nieuwe, rijk gevulde Klooster! om even mee op adem te komen.
Nu voor maar € 35!