Onderweg naar Jacobus

I Wie de camino wil aankijken in al zijn facetten moet op pad. Ook als het regent. Natte voeten maken, een capuchon opzetten, en zo’n vermaledijde rugzak dragen. Antoine Bodar gaat op pad naar Jacobus en neemt ons mee, zorgvuldig zijn verhaal in. Bespiegelingen van een mens van nu, in het welluidende proza van weleer.

Op weg zijn naar Santiago de Compostella in het koude, winderige en natte voorjaar even na Pasen 2018, blijkt mate van afzien maar geeft ook kracht naar lijf en geest. Lijfelijk, omdat het uithoudingsvermogen wordt beproefd. Geestelijk omdat de gedachten volledig
vrij worden. Wie loopt, moet slechts de voorgenomen kilometers afleggen en enigszins opletten waar hij de voeten neerzet in het heuvelachtige landschap met de vele plassen en tot beekjes geworden weggetjes.

De bijna voortdurend stromende regen is de blijvende verfrissing uit de hemel die Gods zegen begeleidt. De Gerechte immers wordt door de dauwende wolken naar beneden geregend, zoals we in de tijd van de Advent zingen – Rorate caeli desuper et nubes pluant iustum.
De Heer is zo in de regen en daalt als regen neer. Hij is aanwezig, maar lijkt ook afwezig, al naar gelang de gedachten op Hem gericht zijn of verstrooid. Nochtans is hij zelf de weg (Joh. 14,6). En dat is rijk aan troost.
De pelgrimswegen in Galicië zijn smal – voortdurende wenking dat de weg alsook de poort naar het eeuwige leven smal dan wel nauw is en de weg alsook de poort naar de wereld, zelfs die naar de ondergang, breed en wijd (Mt. 7,13-14).

De weg is als het leven, maar dan in korte tijd gewaar geworden. Hoe lang zal de levensweg nog duren? We weten dag noch uur (Mt. 25,13). En wie zijn wij dat de Heer naar ons omziet; wie zijn wij dat hij acht op ons slaat (Ps. 8,5)?
Al lopend kon ik oude zorgen niet meteen uit het hoofd zetten. Maar later is het toch gelukt en ben ik teruggekeerd in het besef dat alles, ook zorgelijkheid, in het leven hier hoogst betrekkelijk is. We weten slechts dat we dood gaan en dat wij bewaard worden in Gods barmhartigheid, in zijn bekommernis om ons.

Onderweg is mij opnieuw na lange tijd gebleken dat de mens niet alleen een lichaam heeft, maar ook een lichaam is. Ik liep met een vriendin die mij tot de tocht had overgehaald. Ik had eerst wat tegengestribbeld en als antwoord gegeven dat men zo’n pelgrimage alleen moet maken. Maar haar overtuiging was dat het mogelijk is samen op te lopen en toch tevens alleen te zijn. En zo is het ook gegaan. We liepen steeds samen alleen. In haar sportiviteit en stoerheid ging zij voor mij uit in de altijd terugkerende regen en ik in eigen tempo volgde haar op een paar meter afstand. Zij in haar gedachten en ik in de mijne.
Nu ik dit opschrijf na enige maanden, zie ik haar nog altijd zo lopen – daar in de ontluikende natuur in het nog halfduister van de ochtend, gedurende de dag en bij de nadering van de avond – met de nog amper bloesemende bomen en struiken en velden waar doorheen zij trok, de lange haren samen gebonden, soms een petje op het hoofd, soms de capuchon van haar regenkleding; het soort kleding dat ook ik me voordien, na aanmaningen van beter wetenden, had aangeschaft, evenals een rugzak – het mijns inziens meest praktisch maar tegelijkertijd het meest onelegant soort tas dat een mens kan dragen; de mens als bultdrager.
We legden per dag gemiddeld 35 kilometer te voet af in vier dagen tijds. Mijn gezellin is een vooraanstaand hoogleraar in het vaderland en heeft veel verplichtingen overal in de wereld. Ik had mij dus aan te passen wat het aantal dagen betreft, terwijl ik ook zelf niet verlegen ben om te verrichten arbeid. Evengoed honderdveertig kilometer tezamen in zo korte tijd. Dat wel.
De mens blijft vreemdeling op aarde – de korte tijd dat hij leeft. Hij is zwerver. Wie altijd thuis blijft in het eigen land, zal zich daarvan minder bewust zijn dan iemand die veel reist. En wie in het buitenland woont, geraakt nooit meer ergens echt thuis, terwijl hij tevens overal wel thuis kan zijn. Hij is balling geworden die zichzelf trouw moet blijven; want alleen hij zelf is menselijke oriëntering geworden tussen wisselende mensen in onderscheiden culturen.
Hoe lang is de mens reeds balling? De Heer, hij boekstaaft onze ballingschap en tekent tranen van ons op waarvan hij alleen het getal kent (Ps. 56,9).

II We zijn de Camino de Santiago begonnen in Sarria. De tocht voerde over Portomarín, Palas de Rei en Pardouza – stadjes met stugge mensen, kennelijk eigen aan de Galiciërs, maar behulpzaam en gastvrij. Sommige pelgrims haalden ons in en beenden ons vooruit – geoefende en krachtige mannen en een enkele vrouw. Feitelijk liepen we samen op met twee soorten wandelaars – stille denkers en luid pratende types die klaarblijkelijk alleen de tocht doen om later thuis te kunnen vertellen de camino gelopen te hebben. Een zekere verwording van de eeuwenoude Jacobsweg doet zich voor. Haalden wij onze stempels in een kerkje en konden we daar even bidden en het bedehuis bekijken, ook in drinklokalen kan men tegenwoordig geldige stempels halen en dan meteen een glas bier tot zich nemen. De Jacobsweg als bier-route.

Heb ik onderweg naar zijn graf aan de apostel Jacobus gedacht, zoon van Zebedeus en oudere broer van Joannes, met wie hij tegelijk door de Heer is geroepen (Mt. 4,21-22)? Hij moet, zoals zijn broer, temperament hebben gehad. Beide broeders noemde Jezus immers zonen van de donder (Mc. 3,17), vurige figuren (Lc. 9,54; Mc. 9,38), niet gespeend van ambitie (Mc. 10,37). Ik bewonder Jacobus als de eerste bisschop van Jeruzalem – daar waar de universele Kerk is aangevangen, als martelaar gestorven door toedoen van koning Herodes Agrippa (Hnd. 12,2).

Neen, denken aan Christus was mij genoeg. Het klinkt vroom in de oren, maar het is niet anders. Ik deed dat voor zover ik niet verstrooid was of op de weg moest letten om niet te vallen in de modder en in de plassen. Maar hij liet mijn voeten niet struikelen (Ps. 121,3), al ben ik één keer in natheid gevallen. Mijn voeten waren te zwaar geworden.

De vierde dag van onze tocht was aanvankelijk geen vreugde. Tot onvreugde bleek de camino in de stad Santiago zelf te gaan door lange zielloze buitenwijken. We konden niet reiken tot het apostelgraf langs natuurlijke wegen. En dan steeds maar de regen, die geen troost van zegen meer was, om onze pijnlijke benen en voeten. Maar toen geraakten we toch aan de kathedraal, in de crypte waarvan volgens de overlevering eertijds de stoffelijke resten van Jacobus zijn overgebracht. Een kwart eeuw geleden, pas priester gewijd, had ik daar in de crypte de heilige mis opgedragen aan zijn graf – een kleine zilveren kist, waaronder een altaar is geplaatst. Dat was toen ontroerend wegens het martelaarschap van de apostel, aangehaald in de teksten van de votiefmis te zijner gedachtenis.
Levend geloof troffen we daar in de kerk aan bij pelgrims en toeristen. Gelovigen van alle talen uit allerlei landen – velen uit Latijns Amerika – in geestdrift samen als gemeenschap van Christus. We betraden de oude kathedraal, hadden de pelgrimage volbracht en kregen – elders daar ergens in een prozaïsch gebouw – ons certificaat uitgereikt dank zij de gekregen stempels, bewijzen van de echtheid van onze tocht. In Rome klopt het hart van de Kerk, maar ook in Jeruzalem en elders zoals in Santiago, indien de stad de verleiding van het mogelijk te verwerven grote geld door commercie en toerisme kan blijven weerstaan. De aantallen pelgrims en toeristen zullen momenteel elkaar in evenwicht houden.

Jacobus is de oudere broer van Joannes en wordt ook wel Jacobus Maior genoemd, wat ‘meerdere’ of ‘oudere’ wil zeggen, om hem te onderscheiden van een andere van de twaalf apostelen, die ook Jacobus heet. Waarom wordt hij daar in Noord-Spanje in zijn graf vereerd? En hoe is zijn gebeente daar terecht gekomen?
Geschriften van de Vlaamse Santiago-specialiste Mireille Madou bieden het aanknopingspunt om de wereld van de legende en van de geschiedenis rond de stoffelijke resten van Jacobus ietwat te ontrafelen. Volgens de legende is het lichaam van de onthoofde apostel door twee van zijn leerlingen, Athanasius en Theodorus, opgehaald en in een bootje zonder roer gelegd dat met hen beiden onder begeleiding van een engel in zeven dagen tijds terecht is gekomen in Galicië, aan de monding van de rivier Ulla bij het plaatsje Padrón, ongeveer twintig kilometer ten zuidwesten van het huidige Compostella. Hier – meer landinwaarts dus – is de apostel door de leerlingen begraven in een sarcofaag. Toen ook hun tijd gekomen was, werden zij naast Jacobus bijgezet. De kleine gemeenschap, die zich in de loop van de tijd rond de drie tomben had gegroepeerd en een kerk boven de graven had gebouwd, verviel door toedoen van de christenvervolgingen van keizer Diocletianus in het begin van de derde eeuw. Pas in de negende eeuw werd de begraafplaats herontdekt en heeft de huidige verering van Jacobus een aanvang genomen.

Volgens de geschiedenis zijn vanaf de vijfde en de zesde eeuw in de Grieks-Byzantijnse wereld lijsten aangelegd met de missiegebieden vanaf de eerste jaren van het christendom. Die zijn aan het einde van de zevende eeuw in het Latijn vertaald en zo bekend geworden in de westerse wereld. Van Jacobus wordt daar gemeld dat hij in Spanje en elders het Evangelie heeft gepredikt. Binnen Spanje zelf komt zijn naam voor het eerst voor in het Noord-Spaanse koninkrijk Asturië – in het daar door Beatus van Liébana geschreven commentaar op de Apocalyps aan het einde van de achtste eeuw. In diezelfde tijd ontstaat daar een hymne die opent met de woorden ‘O Woord van God de Vader’ (O Dei Verbum Patris), geschreven in twaalf strofen. De tiende strofe daarvan heeft betrekking op Jacobus: ‘O allerwaardigste en allerheiligste apostel, stralend gouden hoofd van Spanje, onze machtige beschermer en patroon’.

Het is in het Asturië van de negende eeuw dat Jacobus om zijn beschermende kracht wordt aangeroepen in de strijd tegen de Moren. En het is na de herontdekking van het apostelgraf in diezelfde eeuw dat de verering een grote vlucht neemt, zo zelfs dat rond het jaar 1000 de toestroom van pelgrims vergelijkbaar wordt met die in het Heilige Land en Rome. Toch heeft het tot de elfde eeuw geduurd vooraleer het graf algemeen is erkend. De huidige kathedraal, gebouwd in de twaalfde eeuw, is de indrukwekkende schrijn die boven de relikwieën van Jacobus zich verheft en van verre ook de hedendaagse pelgrim wenkt.

Tekst: Antoine Bodar
Dit artikel verscheen in Klooster! 4 Herfst 2018