Maria van Mierlo – Op weg naar geloven in engelen

Maria van Mierlo stond niet vooraan te juichen toen ze hoorde dat het die keer in Klooster! over engelen moest gaan. Wat valt er te zeggen over dingen waarover men beter zwijgen kan? Het bleef zwoegen, totdat ze 21 witte veren vond.

In lichte paniek reed ik naar huis, nadat we ergens vorig jaar op een redactievergadering besloten dat dit nummer van Klooster! engelen tot thema zou hebben. Het was geen paniek omtrent de inhoud; er waren genoeg mensen voorhanden die verstandige dingen over de hemelse machten te zeggen zouden hebben. Theologen, ervaringsdeskundigen, kloosterlingen. Nee, het probleem zat hem in dit artikel. Levenslessen uit het klooster – de naam zegt dat hier wordt aangeboden wat in het klooster geleerd werd. En laat ik maar met de deur in huis vallen: in de bijna twintig jaar dat ik nu lid ben van onze cisterciënzer groep, ging het nooit expliciet over engelen. Niet één les, niet één gesprek, niet eens een gedachte over engelen. Je kunt het een omissie kunnen noemen, maar wellicht is het, al dan niet bewust, vooral heel verstandig. Hoe zouden we lessen kunnen wijden aan ongrijpbare wezens van licht waarover met het verstand eigenlijk niets te weten is? Het enige wat ik hier kan doen daarom, is met een open hart langs oude en nieuwe paden wandelen, paden uit mijn eigen leven, weggetjes door het stekelige struikgewas van antieke preken zoeken, turen naar benedictijnse wegwijzers en in verwondering stil staan bij vondsten in het heden.

Harde vleugels
Laat ik beginnen bij die jeugdherinnering. Ik was vijf of zes, denk ik, toen ik in een lichtblauw jurkje gehesen werd met zilveren randjes eraan. Ik vond het niet zo mooi, het glom nogal, maar in de weken ervoor had ik dat jurkje onder de naaimachine zien ontstaan, dus het moest wel iets bijzonders zijn. Daarna kreeg ik twee harde, witte vleugels op mijn rug, het was een heel gedoe met band en elastiek voordat ze bleven zitten. Ik vond dat ik er blij mee moest zijn, maar was innerlijk diep verontrust. God en de mensen zouden toch vast en zeker wel zien dat ik geen echte engel was. Was het carnaval? Kerstmis? Ik weet het niet meer, het enige wat ik me herinner van die dag is de opluchting ’s avonds, toen dat kostuum weer uit mocht en ik mezelf weer kon zijn. Het was prettig om te merken dat mijn buitenkant weer klopte met wie ik was. Mensen zijn geen engelen – in tegenstelling tot wat de ongetwijfeld vrome bedoeling van de verkleedpartij was, was dit wat ik onthield van die dag. In plaats van me een engel te voelen, wist ik voor eens en altijd dat ik het niet was.
Door te beseffen wat ik niet was, leerde ik tegelijkertijd iets over wat ik wel was: een mens. Pas nu ik dit zo opschrijf, zie ik dat het me destijds een onbewust besef opleverde van afgescheiden zijn, van niet-bij-de-engel- wereld horen en dus misschien ook wel minder bij God horen dan ik altijd gedacht had. Die prutserige vleugels met elastiek eraan plaatsten mij in zekere zin genadeloos in de beperktheid van mijn menszijn. Welkom op aarde, machteloos en krachteloos kind, succes verder met je breekbare, sterfelijke lijfje. En erachteraan kwam iets wat me toen heel logisch leek: als ik geen engel ben, dan is een engel dus ook geen mens. Misschien, wie zal het zeggen, lag hier wel de kiem van decennialang niet op engelen letten. Zij leefden ergens anders, waren onbereikbaar en hadden niets met mij te maken.

Verboden te zweven
Het geeft niet als je hier de draad kwijtraakt. Een mens raakt sowieso de draad kwijt als hij dicht in de buurt van het Onbegrijpelijke geraakt en als hij zou zeggen dat hij het snapt, dan raaskalt hij. Zeker zodra het over engelen gaat, is niets meer eenduidig, behalve dit: dat zij verbonden zijn met de Ene en dat zij ons iets van Gods bedoelingen tonen. Als tussen-wezens tussen God en ons wellicht. Enerzijds beschikbaar voor ons, zodat we via hen dingen kunnen vragen aan God, anderzijds boden van God, zodat hij ons kan bereiken zonder ons te verpletteren onder zijn grootheid. Fluister om hulp – en ze zijn om je heen. Ook als je sceptisch bent, zoals ik was aan het begin van dit engelentraject.
Als ons iets geleerd werd in het klooster, was het wel: verboden te zweven. ‘Als je ziet dat een broeder gaat zweven, trek hem aan zijn voeten naar beneden’; het was een van de eerste lessen die ik opdeed. Dus wat moet of mag een mens met engelen als hij niet mag zweven? Een concreet teken, dat moest ik hebben. Dus ik vond een veer. Veren heb je overal, besloot ik. Een on- begrijpelijke veer, dat wilde ik. Dan zou ik het geloven. Toen lag er een veer op mijn kussen, zomaar ’s avonds toen ik naar bed ging. Dat veertje vond ik te klein. Toen vond ik alsmaar veren in de tuin, op het pad, in de stad, in het bos, witte donsveertjes, grote witte veren, zachte veren, dikke grijs-met-witte veren. ‘Het stikt hier ook van de vogels’, dacht ik, ‘nogal logisch dat er overal veren liggen.’ Toen pakte ik een doos eieren uit het winkelschap en ik zette die in mijn mandje. Daarna op de band bij de kassa. De medewerkster haalde de doos overdwars langs de scanner, zette hem op de vervolg- band, waar ik reeds stond in te pakken. De doos met eieren gleed statig op me af, met erbovenop: een veer. Nu werd het ronduit ongemakkelijk.

Overal veren
Toen kwam het moment naderbij dat we auteurs en fotografen zouden gaan benaderen, we zouden mensen gaan bellen met de vraag of ze geïnterviewd wilden worden. ‘Over engelen dus, ja sorry, ik heb het ook niet bedacht’, als om me in te dekken tegen het hoongelach, dat overigens niet kwam. Het was het hoongelach in mijn eigen verdorven ziel. Ik liet de hond weer eens uit, liep onder de bomen en de zon scheen. Hardop had ik het lef om nogmaals om een teken te vragen: ‘Als jullie willen dat het een mooi blad wordt, dat engelennummer, als jullie willen dat het er kómt, laat het me dan weten.’ Al na een paar meter zag ik de eerste veer. Een stuk verderop weer een. Aan het eind van die wandeling, die nog geen half uur duurde, was ik 21 witte verder en ik had ze allemaal opgeraapt. Wat wrevelig legde ik ze thuis naast elkaar op het aanrecht, terwijl ziel en ratio aan het worstelen waren, maar de ziel won het, want tegen 21 veren valt niet op te redeneren. Voor de zekerheid vroeg ik het na bij Anselm Grün, toen ik hem sprak voor het interview in dit nummer. Hij was er even stil van en lachte toen. ‘Nou, dat zou ik maar als een teken opvatten.’

Dankbaar geloven
Ik vraag me niets meer af, niet hoe het kan, niet óf het kan, laat staan hoe het zit. We weten het niet. Hiërarchieën, machten, serafijnen? Wie zal het zeggen. Ik kom niet verder dan de verhalen van de engelen en de gewone mensen. Mijn broodnuchtere buurman die een engel heeft gezien en erover praat alsof het de gewoon- ste zaak van de wereld is. Of dat verhaal van die man die over de kop sloeg met zijn motor, werd opgevangen en vóelde hoe hij werd neergelegd in de berm. Die brutale inval in mijn eigen systeem onlangs, waarbij ik ineens wist: ‘Stieneke heeft dat huis’, en ik mijn telefoon pakte om haar te appen en haar bericht las: ‘We hebben het!!’ Die vriendin die haar overleden vader in de kamer zag zitten en een gesprek met hem had waarin hij haar een aantal dingen beloofde (die hij ook nakwam). Het stille antwoord dat die vrouw kreeg op de vraag waar de engelen waren: ‘Je bent zelf een engel’ en hoe ze voelde dat ze ruimte werd, alsof God plaatsneemt in mensen die ruimte willen zijn voor hem. Of neem Hans Stolp, die soms liefdevolle wezens zag achter de mensen die hij begeleidde. Er is zoveel dat wij niet kunnen begrijpen met ons verstand. Of we ze zien of niet, de engelen zijn onder ons, om ons heen, zij horen ons denken en komen ons tegemoet als wij voor hen open staan, zoals God ons tegemoet komt als we open zijn. Dichtbij als onze adem zijn ze, als de fluistering, de gedachte, de inval en het toeval, ze zijn de onzichtbare steun, ze zijn in de andere mens. Ze leven om en door ons heen en als het ons lukt onszelf ondergeschikt te maken, dienstbaar en open, dan kunnen zij zich zelfs tonen aan de wereld door óns als instrument te gebruiken. Zou het zoiets zijn?

Misschien.
Misschien ook niet.
Dankbaar geloven is het enige wat we kunnen doen.

Tekst: Maria van Mierlo
Illustratie: Jedi Noordegraaf/Studiovandaar.nl
Uit: Klooster! 9 Engelen

Maria van Mierlo is cisterciënzer leek. Zij schrijft, spreekt en begeleidt retraites op basis van de Regel van Benedictus

Vier keer per jaar een nieuwe, rijk gevulde Klooster! om even mee op adem te komen.
Nu voor maar € 45!