André Louf, de kluizenaar die durfde te buigen

Soms ontmoet je mensen in je leven van wie je later pas begrijpt wat hun betekenis is. Dat was bij mij het geval met André Louf. Ik weet het nog als de dag van gisteren. Het was op de grens van lente en zomer in 2007, elf jaar geleden. Het speelde zich af in een voormalige stal voor ezels, op het terrein van de benedictinessen van Simiane. Dat is een klooster, met banden naar Egmond, naar de abdij Lioba. Daarom zijn er Nederlandse zusters, daarom is er een Nederlandse abdis, Elaiè Bollen. Daar in de Provence, zo’n dertig kilometer boven Marseille, leefde André Louf al enkele jaren als kluizenaar. En dat deed hij na een periode van 35 jaar als gewaardeerde abt van de trappisten van de Katsberg in Noord-Frankrijk. Zijn hele leven droomde deze Vlaming uit Brugge ervan om als kluizenaar op zoek te gaan naar God. De laatste tien jaar als trappist was hem dat gegeven, in die Hollandse context te midden van de heuvels in de Provence.

Zo leerde ik hem kennen, met zijn zus Lieve en zijn zwager Paul in de buurt. Die kwamen eens in de zes maanden even bij hem langs. Aan hen had ik te danken dat ik André Louf mocht ontmoeten voor de kloosterserie op televisie. Want toen ik het verzoek bij hem had ingediend, belde hij zijn zus in Vlaanderen om te vragen of hij op mijn verzoek moest ingaan. Zijn zus Lieve zei dat hij het moest doen omdat de kloosterserie ook in Vlaanderen werd gewaardeerd. Er zijn me een paar ervaringen bijgebleven van onze ontmoeting. De eerste indruk is nooit bij me weggegaan: het diepe verlangen om radicaal te leven, met een volledige overgave aan God, in een kluis die in niets mocht afleiden en daarom geen enkele luxe kende. Hij vertaalde daar oude teksten van woestijnmonniken uit de eerste eeuwen, hij leefde daar volgens een streng ritme van werken, stilte en gebed en hij koesterde de eenzaamheid van de nacht. Tussen middernacht en 3 uur in de ochtend was hij stil en bad hij. In de leegte van de kluis stroomde hij vol van Christus. Dat deed hij iedere nacht, dat maakte hem gelukkig. Zo kwam hij thuis: van de leegte naar een volheid in het diepst van de nacht.

André Louf was geen heilige. Hij had juist het talent om zijn onmacht en beperkingen te delen met de lezers van zijn boeken. Hij schaamde zich niet voor zijn mislukkingen en durfde zijn gebrokenheid te tonen, naar God toe. Waar hij zelf zwak en gekrenkt was, daar werd hij geheeld door de barmhartigheid van God. En dat deelde hij met de lezers die zo getroost werden door diezelfde barmhartigheid. Toen ik hem vroeg of hij met zijn 1.91 meter lengte niet bang was om zijn hoofd te stoten, antwoordde hij dat een mens pas wat leert als hij in het leven tegen de vlakte gaat. Het is niet erg om te buigen, zo ging hij verder. Want als je niet buigt, kan de ander niet bij je komen. Ook God niet. Daarmee zei hij ook wat anders: niet hij stond in het centrum, maar de ander. Niet hij ademde, maar de Ander in hem.

Later dat jaar belandde ik zelf in een storm die maar moeilijk overwaaide. De woorden van André Louf hebben me juist in die tijd op de been gehouden. Durf te buigen, laat de Ander ademen in jou en heb de moed om je onmacht en zwakte te tonen. Alleen zo kun je leven van de barmhartigheid van God. Ik was erbij toen zijn biografie gepresenteerd werd. Het eerste exemplaar was voor zijn zus en zwager. En even had ik het gevoel dat ik terug was bij de kluizenaar, elf jaar geleden. Als je het boek leest, ben je altijd bij die kluizenaar.

Leo Fijen