4e zondag van Pasen – Wederzijdse waardering

Schriftlezingen: Handelingen 13,14+43-52 en Johannes 10,27-30

Handelingen 13,14-52 is Paulus’ eerste preek. Petje af! Hij begint in de synagoge (vers 14) en raakt de mensen zo dat ze hem opnieuw uitnodigen. Dat succes wekt echter de jaloezie van de oorspronkelijke gelovigen van de synagoge, van de Joden. Daarop keert Paulus zich van hen af en richt zich voortaan tot de niet-Joden, vanuit Joods standpunt: de heidenen, bij wie zijn Blijde Boodschap wel aanslaat. De oude Simeon kondigde dit eigenlijk al aan met zijn citaat van de profeet Jesaja: ‘…de redding die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van uw volk Israel.’ (Lucas 2,31-32). De afwijzing die Paulus van Joodse zijde ontmoet – en denk ook aan de afwijzing van Jezus zelf door de joodse leiders – leidt tot het eerste grote schisma: het Joodse volk en het beginnend christendom gaan uit elkaar, met alle funeste gevolgen van dien. Het duurt tot het tweede Vaticaans Concilie (1965) voordat wij als christelijke kerk openlijk erkenden dat wij schatplichtig zijn aan het Joodse geloof, dat God zijn volk nooit heeft afgewezen; dat er onzerzijds geen reden tot discriminatie, zelfs vervolging, is maar dat er juist wederzijdse waardering zou moeten zijn (zie: Nostra Aetate van 2e Vaticaans Concilie).
Aardig te zien, dat hier voor het eerst Paulus vóór Barnabas genoemd wordt. Barnabas introduceert Paulus binnen de kring van de leerlingen (9,27 en 11,25). Nu neemt de leerling de eerste plaats van zijn mentor over! Knap van Barnabas om daar niet jaloers om te worden!

Naast deze breuk klinken de Evangelie verzen als een woord van vertrouwen, van geloof. Als: ‘En toch…!’ Je kunt ze lezen in de lijn van de verklaring van het 2e Vaticaans Concilie over de Joden!
Jezus spreekt van mijn schapen, van wederzijds kennen. Zegt dat hij hun leven tot eeuwig, tot leven met eeuwigheidswaarde wil verheffen. Zegt dat er nooit een breuk tussen Hem en zijn schapen kan zijn. En tenslotte dat datzelfde geldt voor zijn hemelse Vader. Want ‘Ik en de Vader, wij zijn één’. Dus: wat afwijzing van Israël? Wij als christenen staan op de schouders van onze joodse voorouders: Abraham is ook onze vader in het geloof.

Henk Bloem

Bij Paulus’ woorden: “Tot u, moest het woord van God het eerst gesproken worden”, herinner ik ook aan de voorbede op Goede Vrijdag:

“Laten we ook bidden voor het joodse volk dat door onze God en Heer het eerst is aangesproken: dat hij het groot maakt in liefde voor zijn naam, in trouw aan zijn verbond.
Almachtige eeuwige God, Gij hebt uw beloften toevertrouwd aan Abraham en aan zijn volk. Verhoor genadig de gebeden van uw kerk: dat het volk dat Gij het eerst hebt uitverkoren, tot de volheid van de verlossing komt.
Door Christus onze Heer.”