30e zondag door het jaar C – Zo komt het licht binnen

Schriftlezingen: Wijsheid van Jezus Sirach 35,12-14+16-18 en Lucas 18,9-14

‘Ik verzeker jullie dat deze man gerechtvaardigd naar huis ging, en de ander niet.’ (Lucas 18,14a)

Je zult het niet gauw zeggen: ‘Wat ben ik blij dat ik bij de goeden hoor en niet ben als die anderen.’ Maar ook als je het niet zegt, wie denkt het niet af en toe? De mensen die hier in Deventer begin september met gebruik van Facebook – maar ook in levenden lijve – een klopjacht organiseerden op twee pedofielen die enkele uren in de stad waren, dachten in ieder geval dat ze bij de goeden hoorden. In het verhaal van de farizeeër en de tollenaar gaat het hierover: hoe je jezelf ziet, hoe je de ander ziet en hoe God zowel jou als de ander ziet.

Om de kracht van het verhaal te voelen, moet je je realiseren dat het imago van zowel de farizeeër als de tollenaar sinds Jezus honderdtachtig graden is gekanteld. De tollenaar werd geleidelijk een zielige, arme sukkel en de farizeeër een schijnheilige huichelaar. Maar in de tijd van Jezus waren tollenaars collaborateurs en afpersers, dus geen sukkels en al helemaal niet arm. Farizeeërs stonden bekend om hun consequente trouw aan wet, volk en vaderland. Als je dat vergeet, zie je niet wat voor een choquerende wending Jezus aan het verhaal geeft.

De farizeeër en de tollenaar gaan beiden bidden in de tempel. Na afloop gaat de een als een bevrijd man naar huis, de ander niet. Dit is niet omdat de een aan God een beter cv kon laten zien dan de ander. Het gaat om de gerichtheid van hun ziel. De farizeeër is zelfgenoegzaam. Hij is tevreden met zichzelf. De tollenaar weet dat hij God nodig heeft. Er zijn barsten in zijn leven die hij niet zelf kan repareren. Maar hij weet dat God juist door die barsten en breuken binnenkomt, zoals Leonard Cohen zingt: ‘That’s how the light gets in.’

De tollenaar vertrouwt op wat hij waard is in de ogen van God. Vorig jaar stond tijdens de restauratie van de Broederenkerk graffiti op een bouwkeet geschilderd met een meisje van een jaar of tien die, als ze op haar fiets wegrijdt, haar tong uitsteekt en naar een vriendinnetje roept: ‘Je bent waard wat je waard bent in de ogen van God, niets meer en niets minder!’ De graffiti-artiest wilde deze spreuk uit de tijd van de Moderne Devotie onder de aandacht brengen. De spreuk past mooi bij de parabel van de farizeeër en de tollenaar.

Jan Hulshof s.m.