30e Zondag door het jaar A – God in de naaste beminnen

Schriftlezingen: Exodus 22,20-26; 1 Tessalonicenzen 1,5c-10 en Matteüs 22,34-40

In theorie wel mooi
Vandaag houdt Jezus ons het belangrijkste gebod voor, het gebod van de liefde. Iedereen vindt het bijna logisch dat je elkaar moet liefhebben. Als ik aan de kinderen zou vragen: moet je lief zijn of stout, wat gaan ze me dan zeggen? Ze moeten lief zijn! En ook bijna alle grote mensen vinden dat je je moet laten leiden door de liefde, dat je goed moet zijn en vol liefde. Dat is in theorie wel mooi, maar in de praktijk niet zo gemakkelijk, want als het concreet wordt, als je liefde moet hebben voor die of die persoon, die zo gemeen en akelig is, die heel vervelend is, die je pijn heeft gedaan, dan is dat niet zo simpel. En moet je dan alles maar over je kant laten gaan? Als je gepest wordt, moet je dan je mond maar houden en mag je niets terug doen? Dat wil ik niet precies zeggen en op zich wil Jezus dat ook niet zeggen.

Stevige woorden
Als je gepest wordt, is het goed als je erover praat en er voor gezorgd wordt dat het stopt. We mogen best weleens duidelijk zeggen waar het op staat, want ook andere mensen moeten af en toe geholpen worden om iets aardiger, liefdevoller te zijn. Jezus deed dat ook! Af en toe zegt Jezus flinke stevige woorden. Hij is niet altijd poeslief! Soms zegt hij: jullie zijn adderengebroed, dat betekent: kinderen van gemene, giftige slangen; of: jullie zijn witgekalkte graven: van buiten zien jullie er mooi wit geschilderd uit, maar van  binnen is het waardeloos. Dat zegt Jezus vooral tegen de Farizeeën en Schriftgeleerden. Want dat waren in de tijd van Jezus mensen die alles wisten over God, tenminste dat dachten zijzelf. Ook in het evangelieverhaal van deze zondag, komen ze naar Jezus toe om Hem klem te zetten, op de proef te stellen. Ze willen geen antwoord op hun vraag, want ze weten zelf alle antwoorden en nog veel beter, denken zij. Het is een soort gemeen trucje om te kijken of Jezus geen verkeerd antwoord geeft.

God en de naaste
En wat zegt Jezus dan? Je moet van God houden en van de mensen. Je kunt niet van God houden, als je ook niet van de mensen houdt, die twee soorten liefde horen bij elkaar! Dat konden die lelijke Farizeeën in hun zak steken! Want zij deden alsof zij veel van God hielden, maar ze waren niet aardig voor mensen, hier bijvoorbeeld waren ze naar en gemeen tegen Jezus. Je moet van God houden en je moet je naasten beminnen, dat betekent: je moet van andere mensen houden. Van iedereen? Echt iedereen? Ja! Maar wat is dan liefde? Want soms heb je het heel moeilijk met iemand en daar kun je misschien niets aan doen.

God in de naaste beminnen
Ik leerde vroeger: Liefde is dat je Jezus, dat je God probeert te zien in een ander. Ook al loopt het niet zo lekker tussen u en die persoon, tussen jou en die ander: Die mens is ook een kind van God, ook die mens is geschapen door God, naar Gods beeld en gelijkenis. Probeer Jezus te zien in die ander, probeer God lief te hebben die die ander het leven heeft gegeven. Ik heb vroeger een kloosterbroeder gekend die dat ook altijd had geleerd: dat hij God moest liefhebben in zijn medemens. De man werd op een gegeven moment een beetje opstandig: Waarom kan ik die ander niet liefhebben als mens en medemens, is mijn liefde wel echt als ik dat niet doe? Waarom moet ik God in die ander beminnen? Maar hier komt precies het moeilijke punt: soms hebben mensen ruzie, gaat het slecht tussen twee mensen, bij mensen komt de liefde vaak aan een eind. De liefde is op! Er zijn veel huwelijken die stuk lopen, relaties die kapot gaan, er zijn veel ruzies in families en ga zo maar door. Onze menselijke liefde houdt een keer op. Als je niets goeds meer in een ander kunt zien, dan is er altijd nog dit ene: die mens is ook een kind van God, God heeft ook hem of haar gemaakt, er is dus toch iets goeds in hem of haar, ik wil God in die ander beminnen.

† Jan Hendriks

Afbeelding: Marc Chagall, Tien Geboden

Vier keer per jaar een nieuwe, rijk gevulde Klooster! om even mee op adem te komen.
Nu voor maar € 45!