29e zondag door het jaar C – De aanhouder wint

Schriftlezingen: Exodus 17,8-13 en Lucas 18,1-8

Hij vertelde hun een gelijkenis met de strekking dat ze moesten blijven bidden en de moed niet opgeven. (Lucas 18,1)

De strekking is dat we niet moeten stoppen met bidden. De aanhouder wint. Ik hoor u denken: ‘Niet stoppen met bidden? De meeste mensen beginnen er niet eens aan!’ Maar is dit zo? Een onderzoek van Sarah Bänziger van de Universiteit van Nijmegen over bidden in Nederland wijst uit dat meer dan de helft van de Nederlanders bidt: thuis, in de natuur, in bed, in de bus of in de kerk. Vaak spreken mensen bij het bidden God aan, vaak ook niet. Soms gebruiken ze helemaal geen woorden. Soms bidden ze, maar weten niet tot wie: adres onbekend.

Dat we bidden is niet vanzelfsprekend en dat we ermee doorgaan nog minder, want lang niet altijd krijgen we waar we om vragen. Misschien blijven we doorgaan met bidden, omdat we voelen dat we door te bidden in ieder geval zelf veranderen. Als je een probleem neerlegt bij God, begin je er al anders mee om te gaan. Je raakt minder gefixeerd op jezelf. Er komt ruimte. Je krijgt adem. God geeft altijd zijn Geest aan wie erom vragen, zegt Jezus. Niet toevallig hebben oude talen voor ‘geest’ en ‘adem’ hetzelfde woord.

De ervaring leert dat je door te bidden op adem komt. Als je voor een zware klus staat, bid je dat het lukt. Je hoopt op een succesvolle afloop. Maar al biddend voel je dat ook succes niet alles is, dat je moet oppassen dat het succes jou niet in zijn greep krijgt. Als je ziek bent, bid je om beter te worden. Je wilt graag gezond worden. Maar al biddend voel je dat zelfs gezondheid niet alles is. Je bidt dan allereerst dat je in vrede mag leven, met God, met je medemensen en met jezelf. Zo verander je door te bidden en ga je anders bidden.

Je vraagt niet langer dat God doet wat jij wilt, maar je vraagt Hem dat jij leert te doen wat Hij wil. Wat God wil, zit in het woord ‘recht’, dat in de parabel van de rechter en de weduwe centraal staat. De boodschap van Jezus is helder. Als een onverschillige rechter, alleen al om van het gedram af te zijn, recht verschaft aan iemand die hem eindeloos met klachten blijft bestoken, hoeveel te meer zal God, die de goedheid zelve is, luisteren naar iemand die blijft bidden om wat God het meest ter harte gaat: dat een mens tot zijn recht komt.

Jan Hulshof s.m.