28e zondag door het jaar C – Een nieuw mens worden

Schriftlezingen: 2 Koningen 5,14-17 en Lucas 17,1-19

De eerste lezing brengt enkele verzen uit het prachtige verhaal van de ‘heiden’ Naäman – uit Aram (5.1) –  die genezen wordt, terwijl Gehazi, behorend tot het volk Gods, juist besmetting oploopt. Het liturgisch lectionarium laat niet veel heel van dit verhaal door het tot enkele parallel verzen bij het Evangelie in te korten.

De aanvankelijk trotse, klasse bewuste Naäman, die Elisa maar een kleur- en uitstralingsloze profeet vindt (vers 11) en niets van het water van Israël (de Jordaan) wil weten, noemt zich na zijn genezing Elisa’s dienaar. (vers 15, 17) en vraagt of hij Israëlische aarde mee naar huis mag terugnemen (vers 17) om daarop de God van Israël te kunnen vereren. Zijn lichamelijke genezing betekent een mentale, geestelijke ommekeer. Een ommekeer ten gunste van de God van Israël, en van de man van God; de profeet Elisa die zich superieur toont aan Naämans eigen gelovige context. Naäman wordt niet alleen weer de oude – genezen –   maar wordt een nieuw mens: gered!

In het verhaal kruisen zich twee lijnen. Een lijn van groot en machtig: van koningen onder elkaar (vers 5); van Naäman die als heer van stand op weg gaat, met grootse geschenken (vers 5-6) en die een groot Deus ex machina wonder verwacht (vers 11-12) en zijn eigen land en water boven dat van Israël stelt (vers 12). En een andere lijn van een dienstmeisje (vers 3), een bescheiden advies (vers 3), een te simpele opdracht van Elisa (vers 10), van de raad van de dienaren (vers 13), en Naämans buigen voor dit advies.
Deze ‘bescheiden lijn’ leidt tot genezing en bekering. Terwijl – lees het hele verhaal er maar op na – Gehazi’s hebzucht naar meer, zijn vernedering inluidt.
Moraal van dit verhaal: niet goud en zilver, niet macht en carrière ‘helen’ de mens, maar de mens ontvangt zijn heil uit Gods hand, zoals die – (superioriteitsgevoel of missionaire trots?) – in Israël aanwezig is.

Op weg naar Jerusalem komen tien melaatsen op Jezus af. H.J. van Ogtrop interpreteert tien als de minjan, als gericht op de hele gemeente. In ieder geval is het een gemengd gezelschap: Joden en tenminste één Samaritaan. Volgens Joh. 4,9 gaan Joden en Samaritanen niet met elkaar om maar onder melaatsen vallen deze verschillen blijkbaar weg! Blijft staan dat de Samaritanen als ongelovigen en afvalligen gezien werden, die niet naar Gods geboden leefden. De tien moeten op afstand blijven, onrein als ze zijn; en ze moeten dus hun stem wel verheffen als ze hem willen aanspreken. Door hun melaatsheid waren zij getekend door de dood en daarom niet ‘zuiver’ (Grieks: katharos) genoeg om in de eredienst voor God te verschijnen in de gemeenschap van mensen. Uitgestoten dus: van God en mens verlaten.

In lijn met de Thora, Leviticus 14,2-32, stuurt Jezus hen naar de priesters om officieel weer opgenomen te worden. Ook de Samaritaan! Zijn verlangen naar genezing is sterker dan zijn andersdenkendheid! Gaande (de) weg, worden ze rein, gereinigd. (Het Griekse ‘katharos’ ligt ook aan de wortel van ‘Katharen’ en ‘Ketters’.)

Negen van hen, – de Joden – verdwijnen dan uit het verhaal. Zij vervolgen hun weg. Gaan verder naar de  priesters en zullen door hen weer hersteld worden in hun rechten. Ze worden weer ‘de oude’, pakken hun oude leven weer op en gaan gewoon verder. Niks bijzonders dus!
Bijzonder is die ene, die Samaritaan. Hij keert terug. En niet alleen fysiek, maar hij keert zich ook mentaal om: looft God en dankt Jezus. Van hem zegt Jezus dat hij ‘gered’ is. Niet alleen genezen, maar gered! Anders dan de negen, is hij niet weer de oude geworden – hij is een nieuw, een ander mens geworden; niet alleen genezen maar gered. Het is er maar één die terugkeert. En nog wel een andersdenkende. Als het er op aankomt, kun je niet gewoon maar meelopen met anderen, doet het er ook niet toe of je van de ‘club’ bent. Dan gaat er het om wie je zelf bent, waar je staat en voor gaat.

Een pijnlijke vraag tot slot: Kan deze Samaritaan, deze andersdenkende, anders met zijn genezing omgaan omdat hij Samaritaan is? Omdat hij niet vanuit het voorschriftenkader, het ‘systeem’ van de Thora leeft? Kan hij daarom opener meer zijn hart, zijn goedheid, volgen? Zoals de Samaritaan in dat andere verhaal, die niet zoals de priester en de leviet binnen een religieus kader opgesloten zat en de naaste werd van het slachtoffer langs de weg? Kan je geloof ook een harnas zijn?

Henk Bloem

 

Afbeelding: Brian Kershisnik