26e zondag door het jaar C – Mens, waar is je broer?

Schriftlezingen: Amos 6, 1a+4-7 en Lucas 16,19-31

‘Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn.”’ (Lucas 16,25)

De verontwaardiging dat de rijke man de arme Lazarus uitgehongerd voor de oprijlaan van zijn chique villa laat creperen, is normaal. Maar wat is jouw reactie wanneer je wordt opgebeld of je voor twee nachten een bed hebt voor een ontslagen GGD-patiënt? Dan voel je je al minder zeker. Om wat voor iemand gaat het? Is het echt maar voor twee dagen? Komen ze volgende week weer met iemand anders? Dit soort vragen had ook de rijke man misschien wel. ‘Als ik hem help, staan er morgen dertig op de stoep.’ Einde verhaal.

Maar in de parabel die we vanmorgen horen, is het niet einde verhaal. De rijke is immers nog niet van Lazarus af. Tijdens zijn leven zag hij Lazarus niet staan, of beter, hij zag hem niet liggen. Maar in de verlatenheid van de onderwereld ziet hij ineens de man die hij vroeger niet zag. Hij ziet hem in de verte in de schoot van Abraham. In de Bijbel wil dit zeggen dat de rijke ziet hoe Lazarus weer met zijn voorvaderen verenigd is en zo aan de eenzaamheid van de dood ontsnapt, terwijl hij zelf eenzaam moet lijden in het helse vuur.

Jezus schildert het hiernamaals in beelden die in zijn tijd gangbaar waren. De boodschap is duidelijk. Als je tijdens je leven iemand onbarmhartig negeert, negeer je je eigen wezen en slaat je onverschilligheid als een boemerang op jezelf terug. Als je harteloos en zonder mededogen bent, maak je niet alleen de ander kapot, maar ook jezelf. Als je je broeder laat creperen, richt je jezelf te gronde, zodat je onbereikbaar bent, en niet meer te helpen. Niet voor niets zegt Abraham tegen de rijke: ‘Er gaapt tussen ons en jullie een diepe kloof.’

Jezus wil met deze parabel geen informatie geven over het hiernamaals. De parabel gaat over onze aarde, over superwinsten en megasalarissen en over vluchtelingen en straatkinderen. Ze gaat over ons, de levenden. De rijke in het dodenrijk heeft dat goed begrepen en vraagt Abraham meteen iemand naar zijn vijf broers te sturen om hen te waarschuwen. Maar Abraham ziet daarvan het nut niet in. Ze hebben Mozes en de profeten, net als wij. Ze hebben hun geweten, net als wij. En dit geweten roept: ‘Mens, waar is je broer?’ (Genesis 4,9)

Jan Hulshof s.m.