23e zondag door het jaar A – De rode kaart

Schriftlezingen: Ezechiël 33,7-9; Romeinen 13,8-10 en Matteüs 18,15-20

‘Als je broeder iets misdaan heeft, moet je hem dat onder vier ogen zeggen.’ (Matteüs 18,15a)

Stel, je weet dat iemand in jouw omgeving ernstig in de fout gaat. Kun je dan zeggen: ‘Dat zijn zijn zaken! Daar ga ik niet over!’? De profeet Ezechiël zei al eeuwen vóór Christus dat er dingen zijn waarover je niet kunt zwijgen zonder de levens van anderen en van jezelf in de waagschaal te stellen (Ezechiël 33,7-9). De profeet heeft het over ernstige vergrijpen. Voor onze tijd mag je denken aan iemand die er niet voor terugschrikt dronken achter het stuur te kruipen, op grote schaal te frauderen of een kind te misbruiken.

In een toespraak over de opbouw van de gemeenschap geeft Jezus enkele regels die tegelijk laten zien hoe men in de eerste gemeenten met dit soort situaties omging. De eerste regel is: ‘Wijs je broeder terecht’, maar dan wel: ‘onder vier ogen’. Dus niet meteen de hele buurt er bij halen. Geef je broeder de kans zijn gezicht te redden. Als hij niet luistert, haal er een of twee vertrouwenspersonen bij. Als hij halsstarrig volhoudt, leg het dan voor aan de gemeente. En pas als ook dat niet helpt, moet je met hem kappen. Hij heeft zichzelf buitenspel gezet.

De gemeente van Jezus is barmhartig, maar weet tegelijk dat ze met het evangelie niet alle kanten op kan. Ze mag haar beginselen niet verloochenen, vond Dietrich Bonhoeffer in de tijd van nazi-Duitsland. Hoe kunnen christenen en nationaalsocialisten naast elkaar in dezelfde kerkbank zitten? Er zijn momenten dat een kerk de rode kaart moet trekken omwille van haar geloofwaardigheid. Dan is het kiezen of delen. Maar de rode kaart is eerder een noodrem dan een straf. Het doel is immers niet je broeder onderuit te halen, maar hem te winnen.

In het verleden waren het vaak bisschoppen die gelovigen op het matje riepen. We zien nu ook het omgekeerde, bijvoorbeeld bij het misbruikschandaal. Het is niet de eerste keer dat gelovigen bisschoppen terechtwijzen. Geert Grote schreef in zijn tijd een felle brief tegen zijn bisschop over de bouw van de dure Domtoren van Utrecht. Meer tot glorie van de bisschop dan ter ere van God, zei Geert Grote, die vond dat het geld beter aan de armen besteed kon worden. Geert Grote kwam op voor de geloofwaardigheid van de kerk. Hij wees zijn broeder terecht.

Jan Hulshof s.m.

Vier keer per jaar een nieuwe, rijk gevulde Klooster! om even mee op adem te komen.
Nu voor maar € 45!