22e zondag door het jaar C – Op je plaats gezet

Schriftlezingen: Wijsheid van Jezus Sirach 3,17-18+20+28-29 en Lucas 14,1+7-14

‘Nodig liever, als u een feest aanricht, armen uit, gebrekkigen, kreupelen en blinden. Wat een geluk voor u dat zij er niets tegenover kunnen stellen.’ (Lucas 14,13-14a)

Uitnodigingen, hoe fraai ook ingekleed, zijn vaak niet belangeloos. In een televisiereportage over de recente Sail Amsterdam hoorde ik een bobo opscheppen dat hij minstens tien uitnodigingen voor allerlei partyboten op zak had. Die uitnodigingen kreeg hij natuurlijk niet zomaar. Voor wat hoort wat. Ook in de nabuurschappen in de Achterhoek en in Twente lette het altijd nauw. Voor een bruiloft nodigde je je buren uit. Die werden geacht ook jou weer uit te nodigen.

Jezus zegt dat we beter mensen kunnen uitnodigen die niets terug kunnen doen. Op sommige plekken gebeurt dit ook. De mensen van de Sant’Egidio Gemeenschap in Rome nodigen met enige regelmaat zwervers en verwaarloosde ouden van dagen uit voor een feestelijke maaltijd. De gasten krijgen niet zomaar een of andere prak voorgeschoteld, maar worden bediend door obers die de pasta en de wijn uitserveren met een hagelwit servet over de arm. Je ziet ook daar Italianen die weten hoe het hoort.

Maar als dan de kranten met de foto’s komen, geeft dat geen goed gevoel. Ook al kunnen de arme zwervers zelf niets terugdoen, het initiatief is niet zo belangeloos als het lijkt. Augustinus had het daar indertijd al moeilijk mee. Hij zei: ‘Als je een ongelukkige iets geeft, dreigt het gevaar dat je over hem wilt heersen (…) Omdat jij de gevende partij bent, lijk je beter en meer te zijn dan hij aan wie je iets geeft. Wens dat elke mens je gelijke is, zodat we allemaal op dezelfde manier afhankelijk zijn van die Ene, aan wie we niets kunnen geven’ (Augustinus – Preken over de Eerste Brief van Johannes)

In de gelijkenis die Jezus ons vandaag vertelt, krijgt de ene gast te horen dat hij een toontje lager moet zingen en de andere wordt opgewaardeerd. Het is een manier om te zeggen dat God ieder van ons op zijn plaats zet en menselijke relaties geneest die verziekt zijn door het eeuwige vergelijken. Voor God hoeft niemand rijker of begaafder te zijn dan een ander. Je hebt genoeg aan wie en wat je bent, dankzij Hem, aan wie je niets kunt geven. Zoals Thomas a Kempis zei: ‘Je bent zoals je bent, en wat mensen van je vinden kan nooit beter zijn dan zoals God naar je kijkt.’

Jan Hulshof s.m.