15e zondag door het jaar C – Van wie ben ik de naaste?

Schiftlezingen: Deuteronomium 30,10-14 en Lucas 10,25-37

‘Wie van die drie is naar uw mening de naaste geweest van de man die in handen van de rovers was gevallen?’ (Lucas 10,36)

Een wetgeleerde wil zien of Jezus de belangrijkste van alle vragen weet te beantwoorden: ‘Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ De expert in het uitleggen van Gods Woord is op zoek naar een leven dat waardevast, onaantastbaar en duurzaam is. Jezus herinnert hem er fijntjes aan dat hij naar de bekende weg vraagt. Als wetgeleerde kent hij de wet. Inderdaad weet de man het antwoord: ‘Bemin God met alles wat je in je hebt en bemin je naaste als jezelf.’

‘Juist geantwoord’, zegt Jezus. De wetgeleerde kent de theorie. Nu de praktijk nog. Jezus zegt dus: ‘Doe dat en u zult leven.’ Maar dat is voor de wetgeleerde een brug te ver. In plaats daarvan wil hij liever een debat over de definitie van het begrip ‘naaste’. Dat was in die tijd inderdaad een punt van discussie. ‘Naasten’ waren in ieder geval de mensen van je eigen familie, volk en stam. Die moest je liefhebben. Maar gastarbeiders en buitenlandse kooplui bijvoorbeeld, vielen die ook onder het begrip ‘naaste’?

De Zwitserse schrijver Max Frisch zegt in een van zijn dagboeken dat we vaak niet discussiëren om de oplossing te vinden, maar om ons van het probleem af te maken. We zien het bij de wetgeleerde en we zien het om ons heen. Op een parochieavond bespreken we wat we kunnen doen voor vluchtelingen: taallessen, kinderspeelgoed, eat-and-meet… Dan is er altijd wel iemand die roept: ‘We moeten eerst helder krijgen over welke vluchtelingen we het hebben: politiek, economisch, legaal, illegaal, bed, bad en brood, met of zonder!’

Maar Jezus wil geen theoretische discussie. In plaats daarvan vertelt Hij een verhaal. Daarbij draait Hij de vraag van de wetgeleerde om. De vraag is nu niet langer: ‘wie is je naaste?’, maar ‘van wie ben jij de naaste?’. De Samaritaan vroeg zich niet af of de reiziger die hij halfdood aantrof, paste binnen zijn definitie van ‘naaste’. Hij zag dat de man langs de weg in nood verkeerde, en dat hij – de Samaritaan – op dat moment de naaste was, en hij kwam in actie. Niet ik maak uit wie mijn naaste is, maar het leven maakt uit van wie ik de naaste ben.

Jan Hulshof

Afbeelding: Vincent van Gogh, de barmhartige Samaritaan.